De
Tour de France moet nog beginnen, maar het oordeel ligt eigenlijk al klaar. Op 4 juli vertrekt het peloton in Barcelona, met opnieuw één verstikkende verwachting boven de koers: alles wat geen zege is tegen Tadej Pogačar en Jonas Vingegaard, voelt al snel als verlies. De officiële Tourorganisatie spreekt over 184 renners aan de start, maar in de publieke verbeelding lijken er maar twee écht mee te tellen.
Dat is de absurditeit van het moderne wielrennen: een podiumplaats in de Tour, ooit het bewijs van een uitzonderlijke carrière, dreigt voor sommige renners als een halve mislukking te worden geframed. Remco Evenepoel kan derde worden en toch de vraag krijgen waarom hij “weer tekortkwam”. Florian Lipowitz kan bevestigen dat hij bij de wereldtop hoort en toch worden weggezet als iemand die de sprong naar de absolute elite niet maakt. Zelfs een jonge uitdager als Paul Seixas, die zijn Tourdebuut maakt maar niet voor “ervaring” lijkt te komen, wordt meteen in een onmogelijk verhaal geduwd.
De rest is geen wielrenner meer
De reden is simpel: Pogačar en Vingegaard hebben de lat zo hoog gelegd dat de rest niet meer beoordeeld wordt als wielrenner, maar als afwijking van hun norm. Pogačar blijft voor velen de natuurlijke nummer één, terwijl Vingegaard recent zijn status nog verder heeft opgeblazen door nu ook de Giro te winnen en zo alle drie de grote rondes op zijn palmares te krijgen. Wie daarachter eindigt, heeft objectief gezien een wereldprestatie geleverd. Maar in de praatprogramma’s, commentsecties en krantenkoppen zal het al snel klinken alsof hij vooral heeft bewezen dat hij géén Pogačar of Vingegaard is.
Dat is niet alleen oneerlijk, het maakt de sport ook kleiner. Wielrennen leeft van verhalen: van renners die verrassen, groeien, kraken, terugkomen en boven zichzelf uitstijgen. Maar als de derde plek alleen nog telt als bewijs van tekortschieten, gooien we al die verhalen weg. Dan reduceren we drie weken koers tot een binair rekensommetje: winnen of falen.
Grootheid onder de top herkennen
Misschien is dat de echte ziekte van topsport in 2026: niet dat de kampioenen te goed zijn, maar dat wij verleerd zijn om grootheid onder de absolute top te herkennen. Een derde plaats in de Tour is geen nederlaag, maar een resultaat waar bijna elke profrenner zijn hele leven voor zou tekenen. Wie straks achter Pogačar en Vingegaard op het podium staat, verdient geen schouderophalen maar applaus. Alleen zal hij waarschijnlijk eerst moeten uitleggen waarom hij niet gewonnen heeft. (afbeelding: screen grab Eurosport)