Veel wielertoeristen kennen het gevoel: je komt thuis van een rit, de benen branden, het shirt is doorweekt en op Strava ziet alles er indrukwekkend uit. Dan móét het wel een goede
training geweest zijn, toch?
Niet altijd. Wie elke rit rijdt alsof er een rugnummer opgespeld is, wordt niet automatisch beter. Sterker nog: voor veel fietsers is dat net de reden waarom de progressie na een tijdje stilvalt.
Hard trainen werkt, maar niet elke dag
Laat één ding duidelijk zijn: intensieve trainingen hebben zeker hun plaats. Blokken, klimintervallen, tempowerk of een stevige groepsrit kunnen je sterker maken. Je lichaam heeft af en toe een prikkel nodig die groot genoeg is om zich aan te passen.
Maar die aanpassing gebeurt niet tijdens het afzien zelf. Die gebeurt vooral erna, wanneer je lichaam herstelt. Train je opnieuw hard voor dat herstel klaar is, dan stapel je vooral vermoeidheid op. Dat kan even voelen als “goed bezig zijn”, maar op termijn levert het vaak minder op. (lees verder onder de afbeelding)
De valkuil van elke rit halfkoers rijden
Veel recreatieve wielrenners rijden opvallend vaak in dezelfde zone: niet rustig genoeg om echt te herstellen, maar ook niet hard genoeg om een gerichte kwaliteitstraining te zijn. Zo voelt elke rit nuttig, maar wordt geen enkele rit écht optimaal.
Je komt dan thuis met vermoeide benen, maar zonder duidelijke trainingsbedoeling. De rustige rit was te zwaar. De zware rit was niet scherp genoeg. En de volgende training begint alweer met een lichaam dat nog niet volledig hersteld is.
Rustige ritten zijn geen verloren kilometers
Een rustige duurtraining kan saai lijken, zeker als je graag gemiddeldes, wattages en segmenten bekijkt. Toch zijn net die ritten belangrijk. Ze helpen je basisconditie opbouwen, laten je meer trainingsvolume verwerken en zorgen ervoor dat je op de juiste dagen wél diep kunt gaan.
Een goede rustige rit voelt gecontroleerd. Je kunt nog praten, je hoeft niet telkens op de pedalen te staan en je komt niet volledig leeg thuis. Dat betekent niet dat de training niets waard was. Het betekent net dat ze haar doel heeft bereikt.
Beter worden vraagt afwisseling
Een simpele regel: geef elke rit een doel. Is het een rustige duurtraining? Hou ze dan rustig. Is het een intervaltraining? Maak ze dan bewust hard. Is het herstel? Durf dan écht traag te rijden of zelfs niet te fietsen.
Voor veel wielertoeristen werkt een week met één of twee zwaardere prikkels al prima. De rest bestaat uit rustigere ritten, herstel of duurwerk. Zo kom je frisser aan de start van je zware trainingen en haal je daar meer rendement uit. (lees verder onder de afbeelding)
Wanneer train je te vaak te hard?
Let op signalen die aangeven dat je te veel opstapelt. Denk aan zware benen die dagen blijven hangen, slechter slapen, minder zin om te fietsen, een hogere rusthartslag of vermogens die plots lager liggen dan normaal. Eén mindere dag is geen ramp. Maar als het patroon wordt, is rust vaak slimmer dan nog een extra training.
De beste training voelt niet altijd heroïsch
Beter worden op de fiets draait niet om elke rit kapotgaan. Het draait om de juiste prikkel op het juiste moment. Soms is dat een stevige intervaltraining. Soms is dat twee uur rustig peddelen. En soms is dat gewoon een dag niet fietsen.
Wie leert om rustig écht rustig te rijden, kan hard ook écht hard rijden. Net daar zit voor veel wielertoeristen de grootste winst. (afbeeldingen:
Magnific)